Scarlet - Sabam

procedure:
prejudiciele procedure
instantie:
Europees Hof van Justitie
datum uitspraak:
14 / 04 / 2011
rolnummer:
C-70/10
LJN/ECLI:

domeinnaam:
n.v.t.
eiser(es):
Scarlet Extended SA
verweerder:
Sabam
Resultaat procedure:
-
categorie:
Notice-and-Take-Down
dossier(s):
 
Domjur-nummer:
2011-769
publicatiedatum:
21 / 10 / 2011
Kern:
Download volledige uitspraak

Samenvatting uitspraak

In een prejudiciële procedure buigt het Hof van Justitie zich over de vraag die is ontstaan in België tijdens een proces tussen Sabam en Scarlet (voorheen Tiscali). Sabam is de Belgische vereniging van auteurs, componisten en uitgevers, die de auteursrechten van deze groepen beheert. Scarlet Extended SA is een internet service provider (ISP). In een procedure vorderde Sabam dat de rechter Scarlet oplegde een systeem te gebruiken waarmee alle elektronische communicatie op inbreuken gefilterd en geblokkeerd kan worden. Sabam meent dat Scarlet als ISP bij uitstek in staat is om inbreuken op auteursrechten te blokkeren.

Bij vonnis van 26 november 2004 is het bestaan van inbreuken op het auteursrecht vastgesteld. De rechtbank heeft vervolgens een deskundige aangewezen die moest onderzoeken of de gevraagde technische voorziening realiseerbaar is en of dus ook alleen datgene gefilterd kan worden wat gefilterd moet worden. Bij vonnis van 29 juni 2007 heeft de rechtbank, op basis van het deskundigenverslag, Scarlet veroordeeld iedere inbreuk te beëindigen waarmee een muziekstuk dat auteursrechtelijk beschermd via Sabam kan worden verkregen. Dit onder dwangsom van 2.500 euro per dag als Scarlet na zes maanden in gebreke blijft. Scarlet stelde tegen dit vonnis beroep in bij het Hof van Beroep te Brussel. Scarlet gaat in het bijzonder in beroep tegen de opgelegde maatregel.

In hoger beroep stelt de Belgische rechter (het Hof van Beroep te Brussel) op 5 februari een prejudiciële vraag aan het Europees Hof van Justitie; namelijk: in hoeverre bestaande richtlijnen (2001/29 en 2004/48, junctis de richtlijnen 95/46, 2000/31 en 2002/58) en de artikelen 8 en 10 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens (EVRM) het toestaan dat een lidstaat een nationale rechter – die in een bodemprocedure wordt aangesproken – de bevoegdheid verleent om de tussenpersoon te verplichten om op zijn kosten alle in- en uitgaande digitale dataverkeer te filteren teneinde vast te kunnen stellen of inbreuken op auteursrechten plaatsvinden. Met de doorverwijzing van deze zaak naar het Europese Hof van Justitie wordt de zaak ook voor Nederland interessant. Het antwoord op deze vraag zal namelijk grote gevolgen hebben voor het auteursrecht op het internet, het illegaal downloaden van auteursrechtelijk beschermde werken en met name de verantwoordelijkheid van Internet Service Providers.

In dit advies aan het Hof concludeert de AG, M. Pedro Cruz Villalón, dat de richtlijnen (2001/29 harmonisatie van aspecten van het auteursrecht, 2004/48 eerbiediging van het intellectueel eigendomsrecht, 95/46, 2000/31 en 2002/58) geïnterpreteerd in het licht van de artikelen 7, 8, 11 en 52 lid 1 van het Handvest van de grondrechten van de EU en artikel 8 en 10 van het EVRM zo moeten worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen het opleggen door een nationale rechter van een maatregel dat een ISP verplicht om een filtersysteem voor alle elektronische communicatie te gebruiken.

De AG benadrukt dat zowel volgens het handvest als het EVRM een inperking van het uitoefenen van de rechten en vrijheden mogelijk is. Belangrijk is echter dat een dergelijke inperking is “voorzien bij wet”. Voor iedere beperking moet er voorafgaand een juridische voorziening geschapen zijn die voldoende het mogelijke doel van een inmenging duidelijk maakt. Het opleggen van een filter- en blokkeersysteem echter komt als nieuw en onverwacht, zodat er niet voldaan is aan de eis van een voorafgaande, voorzienbare, duidelijke en gepreciseerde wet in de zin van het handvest. De maatregel was voor Scarlet niet te voorzien en tevens tamelijk arbitrair.

Voor de gebruikers van de diensten van Scarlet geldt dat een filter- en blokkeersysteem niet voorzien is van enige vorm van garantie waar het gaat om de bescherming van persoonsgegevens en de vertrouwelijkheid van communicatie. Bovendien hebben ook de gebruikers de toepassing van dit systeem niet kunnen voorzien en zich er bijgevolg niet tegen kunnen verzetten.

De AG stelt dat zowel het verdrag als het handvest ervan uitgaan dat iedere inperking van een grondrecht een wettelijke bepaling vereisen. Volgens het handvest moet deze wet voorafgaan aan de inperking en moet het de essentie van het grondrecht respecteren. Het voorafgaan van een wet is in deze zaak het probleem.