Om uw bezoek aan onze website te vergemakkelijken en informatie te kunnen verzamelen die ons helpt om de website nog beter op uw wensen af te stemmen maken wij gebruik van cookies. Hiervoor hebben wij uw toestemming nodig.

Zoek een uitspraak

Bonnier Audio AB – Perfect Communication Sweden AB

Procedure:
prejudiciele procedure
Instantie:
Europees Hof van Justitie
Datum uitspraak:
18-04-2012
Rolnummer:
C-461/10
LJN/ECLI:
Domeinnaam:
n.v.t.
Eiser(es):
Bonnier Audio AB
Verweerder:
Perfect Communication Sweden AB
Resultaat procedure:
Uitspraakcategorieën:
Notice-and-Take-Down
Dossiers:
Domjur-nummer:
Publicatiedatum:
31-05-2012
Kern:

Samenvatting

Het Hooggerechtshof in Zweden heeft gevraagd om een prejudiciële beslissing in een zaak tussen Bonnier Audio c.s. tegen Perfect Communications Sweden AB. Bonnier Audio c.s. heeft in de Zweedse rechter verzocht Perfect Communications Sweden te bevelen informatie te verstrekken om een bepaalde abonnee te kunnen identificeren. De betreffende abonnee heeft luisterboeken zonder toestemming van Bonnier Audio c.s. publiek toegankelijk gemaakt middels een FTP-server die beschikbaar gesteld is door internetprovider ePhone (i.e. Perfect Communications AB). De prejudiciële vraag of richtlijn 2006/24 aldus moet worden uitgelegd dat zij in de weg staat aan de toepassing van een op artikel 8 van richtlijn 2004/48 gebaseerde nationale wettelijke regeling volgens welke een internetprovider met het oog op de identificatie van een internetabonnee of -gebruiker kan worden gelast aan een auteursrechthouder of diens vertegenwoordiger informatie te verstrekken over de abonnee aan wie de internetprovider het IP-adres heeft toegewezen dat is gebruikt om inbreuk te maken op het auteursrecht, en of de omstandigheid dat de lidstaat richtlijn 2006/24 nog niet in nationaal recht heeft omgezet ofschoon de termijn daarvoor is verstreken, invloed heeft op het antwoord op deze vraag.

Het hof stelt dat richtlijn 2006/24 volgens artikel 1, lid 1 een harmonisatie beoogt van de nationale bepalingen van de lidstaten waarbij aan aanbieders van elektronische communicatiediensten of een openbaar communicatienetwerk verplichtingen worden opgelegd inzake het verwerken en het bewaren van bepaalde gegevens die door hen worden gegenereerd of verwerkt, teneinde te garanderen dat die gegevens beschikbaar zijn voor het onderzoeken, opsporen en vervolgen van ernstige criminaliteit zoals gedefinieerd in de nationale wettelijke regelingen van de lidstaten.

Met betrekking tot het hoofdgeding dient te worden opgemerkt dat de betrokken wettelijke regeling een ander doel nastreeft dan dat van richtlijn 2006/24. Deze regeling heeft immers betrekking op het verstrekken van gegevens in het kader van een civielrechtelijke procedure om een inbreuk op intellectuele- eigendomsrechten te doen vaststellen. Deze wettelijke regeling valt bijgevolg buiten de werkingssfeer ratione materiae van richtlijn 2006/24. Bijgevolg is de omstandigheid dat de betrokken lidstaat richtlijn 2006/24 nog niet in nationaal recht heeft omgezet ofschoon de termijn daarvoor is verstreken, in het hoofdgeding irrelevant.

De door Bonnier Audio e.a. gevraagde mededeling vormt een verwerking van persoonsgegevens in de zin van artikel 2, eerste alinea, van richtlijn 2002/58, gelezen in samenhang met artikel 2, sub b, van richtlijn 95/46. Deze mededeling valt dus binnen de werkingssfeer van richtlijn 2002/58. Voorts zij opgemerkt dat in het hoofdgeding om de mededeling van deze gegevens wordt gevraagd in een civielrechtelijke procedure, ten voordele van de auteursrechthouder of diens vertegenwoordiger, dat wil zeggen een particulier, en niet ten voordele van een bevoegde nationale autoriteit. In dit verband moet van meet af aan worden vastgesteld dat een verzoek om mededeling van persoonsgegevens ter verzekering van de doeltreffende bescherming van auteursrechten wegens het voorwerp ervan binnen de werkingssfeer van richtlijn 2004/48 valt.

Het Hof heeft evenwel reeds geoordeeld dat artikel 8, lid 3, van richtlijn 2004/48, gelezen in samenhang met artikel 15, lid 1, van richtlijn 2002/58, zich er niet tegen verzet dat de lidstaten de verplichting opleggen, persoonsgegevens aan particulieren door te geven met het oog op de civielrechtelijke vervolging van inbreuken op het auteursrecht. Bij de omzetting van de richtlijnen 2002/58 en 2004/48 moeten lidstaten er acht op slaan dat zij zich baseren op een uitlegging daarvan die het mogelijk maakt een juist evenwicht tussen de verschillende door de rechtsorde van de Unie beschermde grondrechten te verzekeren. In deze situatie kan worden aangenomen dat aan deze vereisten is voldaan.

Het hof verklaart dat richtlijn 2006/24 er niet aan in de weg staat dat naw-gegevens gevorderd worden van een internetprovider op grond van een op artikel 8 van richtlijn 2004/48 gebaseerde nationale wettelijke regeling.


Terug