Om uw bezoek aan onze website te vergemakkelijken en informatie te kunnen verzamelen die ons helpt om de website nog beter op uw wensen af te stemmen maken wij gebruik van cookies. Hiervoor hebben wij uw toestemming nodig.

Zoek een uitspraak

Bonnier Audio AB – Perfect Communications AB

Procedure:
prejudiciele procedure
Instantie:
Europees Hof van Justitie - AG
Datum uitspraak:
16-11-2011
Rolnummer:
C 461/10
LJN/ECLI:
Domeinnaam:
n.v.t.
Eiser(es):
Bonnier Audio AB
Verweerder:
Perfect Communications AB
Resultaat procedure:
Uitspraakcategorieën:
Notice-and-Take-Down
Dossiers:
Domjur-nummer:
Publicatiedatum:
30-03-2012
Kern:

Samenvatting

Het Hooggerechtshof in Zweden heeft gevraagd om een prejudiciële beslissing in een zaak tussen Bonnier Audio c.s. tegen Perfect Communications Sweden AB. Bonnier Audio c.s. heeft in de Zweedse rechter verzocht Perfect Communications Sweden te bevelen informatie te verstrekken om een bepaalde abonnee te kunnen identificeren. De betreffende abonnee heeft luisterboeken zonder toestemming van Bonnier Audio c.s. publiek toegankelijk gemaakt middels een FTP-server die beschikbaar gesteld is door internetprovider ePhone (i.e. Perfect Communications AB). De vraag is hoe ver de bescherming van persoonsgegevens reikt.

De AG van het Europees Hof van Justitie stelt dat richtlijn artikel 1 van richtlijn 2006/24 tot doel heeft “te garanderen dat die gegevens beschikbaar zijn voor het onderzoeken, opsporen en vervolgen van ernstige criminaliteit zoals gedefinieerd in de nationale wetgevingen van de lidstaten”. Artikel 4 van de richtlijn verplicht de lidstaten bepalingen aan te nemen om te waarborgen dat de in die richtlijn bedoelde gegevens alleen in welbepaalde gevallen, en in overeenstemming met de nationale wetgeving, aan de bevoegde nationale autoriteiten worden verstrekt. Daar het in het hoofdgeding gaat om een civiele procedure en de gegevens niet worden gevraagd door een bevoegde nationale autoriteit, maar door particulieren, is richtlijn 2006/24 ratione materiae niet van toepassing op het hoofdgeding. Het niet-omzetten van richtlijn 2006/24 in Zweden is bijgevolg niet meer van invloed.

Wat betreft de bescherming van persoonsgegevens verwijst de AG naar het in artikel 6, lid 1, sub b, van richtlijn 95/46 genoemde grondbeginsel: de persoonsgegevens moeten voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven en gerechtvaardigde doeleinden worden verkregen en mogen vervolgens niet worden verwerkt op een wijze die onverenigbaar is met die doeleinden. De richtlijnen 2002/58 en 2006/24 (die het algemene kader in richtlijn 95/46 preciseren) bevatten geen bepalingen inzake de bewaring of het gebruik van telecommunicatiegegevens in het kader van de bestrijding van inbreuken op intellectuele-eigendomsrechten op initiatief van particulieren. De huidige wetgeving van de Unie voorziet niet in de noodzakelijke modaliteiten voor de bewaring en doorgifte van persoonsgegevens die bij elektronische communicatie worden gegenereerd met het oog op de doorgifte ervan in geval van een door particulieren aangevoerde inbreuk op intellectuele-eigendomsrechten.

Wat het recht van de lidstaten betreft stelt de AG vast dat artikel 15 van richtlijn 2002/58 de beperking van de toepasselijkheid van aan die richtlijn ten grondslag liggende beginselen mogelijk maakt. Het Hof heeft dit artikel uitgelegd in het arrest Promusicae en in de beschikking LSG-Gesellschaft zur Wahrnehmung von Leistungsschutzrechten. Het heeft daarin geoordeeld dat richtlijn 2002/58 niet uitsluit dat de lidstaten de verplichting opleggen om in het kader van een civiele procedure persoonsgegevens mee te delen, maar dat het Unierecht niet eist dat de lidstaten een dergelijke verplichting opleggen. Om persoonsgegevens te kunnen meedelen eist het Unierecht dat de nationale wetgeving voorziet in een bewaringsverplichting, teneinde te kunnen aangeven om welke categorieën te bewaren gegevens het gaat, wat het doel en de duur van de bewaring is en voor welke personen de gegevens toegankelijk zijn. Een aldus vastgestelde beperking moet een noodzakelijke, redelijke en proportionele maatregel zijn.

De AG concludeert dat Richtlijn 2006/24/EG niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens voor andere doeleinden dan die bedoeld in artikel 1, lid 1, van die richtlijn. De richtlijn staat dus niet in de weg aan de toepassing van een nationale bepaling op grond waarvan de rechter in een civiele procedure een internetprovider met het oog op de identificatie van een bepaalde abonnee gelast NAW-gegevens te verstrekken aan een auteursrechthouder of diens vertegenwoordiger. Die informatie moet evenwel zijn bewaard om voor dat doel te kunnen worden verstrekt en gebruikt overeenkomstig gedetailleerde nationale bepalingen die zijn vastgesteld met eerbiediging van het Unierecht op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens.


Terug