Om uw bezoek aan onze website te vergemakkelijken en informatie te kunnen verzamelen die ons helpt om de website nog beter op uw wensen af te stemmen maken wij gebruik van cookies. Hiervoor hebben wij uw toestemming nodig.

Zoek een uitspraak

Coty Germany GmbH - Amazon Services Europe en Amazon FC Graben

Procedure:
prejudiciele procedure
Instantie:
Hof van Justitie
Datum uitspraak:
02-04-2020
Rolnummer:
C-567/18
LJN/ECLI:
-
Domeinnaam:
-
Eiser(es):
Coty Germany GmbH
Verweerder:
Amazon Services Europe en Amazon FC Graben
Resultaat procedure:
Prejudiciele beslissing
Uitspraakcategorieën:
Dossiers:
Merk
Domjur-nummer:
2020-1379
Publicatiedatum:
31-10-2020
Kern:

Artikel 9, lid 2, onder b), van verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het [Uniemerk] en artikel 9, lid 3, onder b), van verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk moeten aldus worden uitgelegd dat een persoon die voor een derde waren opslaat die inbreuk maken op een merkrecht, zonder van deze inbreuk op de hoogte te zijn, moet worden geacht deze waren niet in voorraad te hebben met het oogmerk deze aan te bieden of in de handel te brengen in de zin van deze bepalingen, wanneer hij niet zelf dit oogmerk heeft.

Samenvatting

Eiser is Coty Germany GmbH, een onderneming die parfums verkoopt (hierna: Eiser) en is licentiehouder van het Uniemerk DAVIDOFF (hierna: Merken) voor “parfumerieën, etherische oliën en cosmetische middelen”. Gedaagden zijn Amazon Services Europe en Amazon FC Graben (hierna: Gedaagden). Gedaagden bieden derde verkopers de mogelijkheid om op de website www.amazon.de aanbiedingen voor hun waren te plaatsen op “Amazon-Marketplace”. De (koop)overeenkomsten van deze waren komen tot stand tussen de derde verkopers en de kopers. De derde verkopers hebben daarbij ook de mogelijkheid deel te nemen aan het programma “Verzending door Amazon” (hierna “Het programma”), hierbij worden de waren opgeslagen door vennootschappen van de Gedaagden, die een depot exploiteert. De verzending wordt uitgevoerd door externe dienstverrichters.

Op 8 mei 2014 bestelde een testkoper van Eiser via de website www.amazon.de een flacon van het parfum van Merken, dat door een derde verkoopster (hierna: “verkoopster”) werd aangeboden en dat in het kader van het programma werd verzonden. Eiser heeft de verkoopster in gebreke gesteld op grond dat de aan het betrokken merk verbonden rechten niet waren uitgeput voor de waren die laatstgenoemde in het kader van het programma aan Gedaagden had toevertrouwd. Daarop heeft de verkoopster een stakingsverklaring met boetebeding afgegeven.

Bij brief van 2 juni 2014 heeft Eiser aan Gedaagden verzocht om teruggave van alle parfumflesjes van Merken die voor rekening van verkoopster werden bewaard. Gedaagden hebben Eiser geantwoord dat zij geen gevolg konden geven aan dit verzoek.

Eiser beschouwde de handelswijze van Gedaagden als een inbreuk op haar merkrecht, en vorderde in wezen onder meer dat Gedaagden op straffe van dwangmaatregelen werden gelast om na te laten in het economische verkeer in Duitsland parfums van Merken in voorraad te hebben of te verzenden, of in voorraad te laten hebben of te laten verzenden, wanneer deze waren niet met haar toestemming op de markt van de Unie waren gebracht.

De rechter in eerste aanleg heeft de vordering van Eiser afgewezen. Ook in hoger beroep werd de vordering afgewezen. Het Bundesgerichtshof heeft daarop het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het hof) de prejudiciële vraag gesteld: “Heeft een persoon die voor een derde waren opslaat die een merkrecht schenden, zonder van deze inbreuk op de hoogte te zijn, deze waren in voorraad met het oogmerk deze aan te bieden of in de handel te brengen, wanneer niet hijzelf maar alleen de derde voornemens is de waren aan te bieden of in de handel te brengen?”

Het hof doet verschillende overwegingen en verwijzingen naar eerdere uitspraken voordat die tot zijn uitspraak komt. Zo herinnert het hof in de eerste plaats dat noch in verordening nr. 207/2009 noch in verordening 2017/1001 (hierna: de bepaling) een definitie wordt gegeven van het begrip “gebruik” in de zin van artikel 9 van deze verordeningen. Wel is het zo dat in de gangbare betekenis de uitdrukking “het gebruik” een actieve gedraging vereist, alsook een rechtstreekse of indirecte controle over de handeling waarin het gebruik bestaat, het hof merkt in dit kader op dat de bepaling een niet-limitatieve opsomming bevat van soorten gebruik die de merkhouder kan verbieden, uitsluitend actieve gedragingen van een derde vermeldt. Het hof verwijst dan naar eerdere uitspraken/oordelen, bijvoorbeeld: “hoewel een marktdeelnemer die waren die zijn voorzien van een merk waarvan hij niet de houder is, invoert of aan een depothouder overdraagt met het oog op het in de handel brengen ervan, “gebruik” maakt van een aan dat merk gelijk teken, dit niet noodzakelijk het geval is voor een depothouder die waren opslaat die zijn voorzien van het merk van een ander.”

In de tweede plaats wijst het hof erop dat uit de bewoordingen van de bepaling blijkt dat deze bepaling specifiek doelt op het aanbieden van waren, het in de handel brengen ervan, het “daartoe” in voorraad hebben ervan of het verrichten van diensten onder dit teken. Opdat de opslag van waren die zijn voorzien van aan merken gelijke of daarmee overeenstemmende tekens kan worden gekwalificeerd als “gebruik” van die tekens, is het bijgevolg noodzakelijk, dat de marktdeelnemer die de opslag verricht zelf het in die bepalingen bedoelde voornemen heeft, namelijk om de waren aan te bieden of in de handel te brengen. In casu heeft de verwijzende rechter, duidelijk aangegeven dat Gedaagden in het hoofdgeding de betrokken waren niet zelf te koop hebben aangeboden of in de handel hebben gebracht, de rechter heeft tevens gepreciseerd dat alleen de derde voornemens was de waren aan te bieden of in de handel te brengen.

Het Hof komt op basis van zijn overwegingen tot het volgende oordeel de bepalingen inzake het Uniemerk moeten aldus worden uitgelegd dat een persoon die voor een derde waren opslaat die inbreuk maken op een merkrecht, zonder van deze inbreuk op de hoogte te zijn, moet worden geacht deze waren niet in voorraad te hebben met het oogmerk deze aan te bieden of in de handel te brengen in de zin van deze bepalingen, wanneer hij niet zelf dit oogmerk heeft.


Terug