Om uw bezoek aan onze website te vergemakkelijken en informatie te kunnen verzamelen die ons helpt om de website nog beter op uw wensen af te stemmen maken wij gebruik van cookies. Hiervoor hebben wij uw toestemming nodig.

Zoek een uitspraak

NSE - Brein

Procedure:
hoger beroep
Instantie:
Gerechtshof Amsterdam
Datum uitspraak:
18-08-2014
Rolnummer:
200.097.924/01
LJN/ECLI:
Domeinnaam:
-
Eiser(es):
NSE
Verweerder:
Brein
Resultaat procedure:
Uitspraakcategorieën:
Notice-and-Take-Down
Dossiers:
Domjur-nummer:
Publicatiedatum:
29-09-2014
Kern:

Samenvatting

Appellante is News-Service Europe B.V. (NSE). NSE is een Usenet Service Provider en biedt tegen betaling toegang tot Usenet. Het Usenet is onderdeel van het Internet en een wereldwijd technologisch platform voor het uitwisseling van berichten. Usenet wordt (inmiddels) gebruikt voor verschillende doeleinden, zoals het met behulp van teksten discussiëren over onderwerpen, maar ook voor het verspreiden van berichten die afbeeldingen, beelden, geluid en/of software bevatten. Geïntimideerde is Brein, belangenbehartiger van rechthebbenden op audio-, video- en interactieve producten. NSE is in beroep gegaan tegen de uitspraak van de rechtbank, waarin Brein het volgende toegewezen is: verklaringen voor recht dat NSE inbreuk maakt op auteursrechten en naburige rechten van bij Brein aangeslotenen (Domjur nummer 2011-785).

Vast staat dat appellante op haar servers alfanumerieke berichten opslaat, en deze ook aan andere Usenet providers doorgeeft, waarin op gecodeerde wijze fragmenten zijn vastgelegd van auteursrechtelijk beschermde werken. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat gelet op deze omstandigheden dient te worden gesproken van het opslaan en doorgeven van werken door appellante. Appellante slaat berichten op die door de gebruikers van Usenet op het Usenet worden geplaatst, zodat er sprake is van een interventie die ertoe leidt dat een nieuw publiek wordt bereikt.

Appellante beroept zich op artikel 13a Aw. De opslag van de berichten op haar servers is van voorbijgaande aard en is nodig om een technisch procedé mogelijk te maken. Het hof verwerpt het beroep van appellante op artikel 13a Aw. Het opslaan van de berichten (op de spoolservers) vormt geen onderdeel van een technisch procedé dat wordt toegepast met als enig doel, zoals artikel 13a Aw vereist, het mogelijk maken van de doorgifte in een netwerk tussen derden of het rechtmatig gebruik van een werk. Het opslaan van de artikelen gedurende de retentietijd dient immers een zelfstandig doel, namelijk het gedurende deze tijd beschikbaar houden van de artikelen voor toegang ten behoeve van de abonnees van de resellers van appellante. Dat is te ver verwijderd van de in artikel 13a Aw genoemde doelen. Het beroep op artikel 13a Aw faalt.

Vervolgens beroept appellante zich op artikel 6:196c lid 1 BW: degene die diensten van de informatiemaatschappij verricht, bestaande uit het doorgeven van van een ander afkomstige informatie of het verschaffen van toegang tot een communicatienetwerk is niet aansprakelijk voor de doorgegeven informatie, indien hij aan de voorwaarden voldoet. Voor zover appellante berichten op haar servers opslaat, valt haar dienstverlening niet onder de bescherming van artikel 6:196c lid 1 BW. Het hof is van oordeel dat het doorgeven van door haar eigen gebruikers geplaatste berichten aan andere Usenet providers wel een dienst is die bestaat uit het doorgeven van van een ander afkomstige informatie als bedoeld in artikel 196c lid 1 BW. Het betreft hier een louter technische, automatische en passieve dienst waarover appellante noch kennis noch controle heeft over de doorgegeven gegevens. Het beroep op artikel 6:196c lid 1 slaagt deels.

Daarnaast is het hof van oordeel dat, voor zover appellante berichten afkomstig van haar eigen gebruikers dan wel van (gebruikers van) andere Usenetproviders gedurende de retentietijd op haar servers opslaat, zij diensten verricht bestaande uit het op verzoek opslaan van van een ander afkomstige informatie en dus in beginsel, indien zij aan de onder a en b genoemde voorwaarden van dit artikellid voldoet, wat deze diensten betreft onder de bescherming van artikel 6:196c lid 4 BW valt. De onder a genoemde voorwaarde staat niet ter discussie. Wat betreft de voorwaarde onder b overweegt het hof dat het beschikbaar stellen van een efficiënte NTD-procedure in beginsel voldoende is om de voorwaarde van artikel 6:196c lid 4 onder b BW te vervullen. Een dergelijke procedure komt immers erop neer dat de host na een melding van (een vertegenwoordiger van) een rechthebbende dat inbreukmakend materiaal aanwezig is, dit materiaal onmiddellijk verwijdert. Aangezien een beroep op artikel 6:196c lid 4 BW slaagt, is er geen grond voor de toewijzing van de door geïntimideerde gevorderde verklaring voor het recht wat betreft de opslag van berichten van gebruikers van Usenet. Het hof ziet wel aanleiding appellante te bevelen een dergelijke NTD-procedure in te voeren. Daarnaast geeft het hof partijen uitdrukkelijk in overweging in overleg te treden over de aard en effectiviteit van de op te leggen maatregelen.

Op basis van artikel 6:196c lid 5 BW kan er echter wel een rechterlijk bevel of verbod worden opgelegd. De situatie wordt daarbij ingekleurd door artikel 26d Aw, waarin de rechter de bevoegdheid wordt gegeven om, op vordering van de rechthebbende, tussenpersonen wier diensten door derden worden gebruikt om inbreuk op het auteursrecht te maken, te bevelen de diensten die worden gebruikt om die inbreuk te maken te staken. Het door de rechtbank gegeven bevel is, zo overweegt het hof, naar zijn bewoordingen gericht op het staken en gestaakt houden van inbreuken op de rechten van bij geïntimideerde aangesloten rechthebbenden en sluit dus niet aan bij de rol van appellante als verlener van de dienst met behulp waarvan de inbreuk is gepleegd. Het standpunt van zowel appellante als geïntimideerde is dat appellante alleen aan het door de rechtbank gegeven bevel kan voldoen als zij alle binnenkomende binaries filtert op ongeoorloofde inhoud. Dit houdt naar het oordeel van het hof in dat de rechtbank aan appellante een algemene verplichting heeft opgelegd om toe te zien op de informatie die zij doorgeeft en opslaat. Het door de rechtbank gegeven bevel is aldus in strijd met de beperking van de bevoegdheid tot het opleggen van een verbod of bevel die voortvloeit uit artikel 15 van de Richtlijn inzake elektronische handel. Het bestreden vonnis kan dan ook niet in stand blijven, voor zover de rechtbank daarbij het gewraakte bevel heeft gegeven.

Ten slotte heeft geïntimideerde haar vordering bij de rechtbank inzake het op te leggen bevel tevens gegrond op de stelling dat appellante onrechtmatig handelt door voor commercieel gewin een download systeem in stand te houden waarbij grote hoeveelheden beschermd materiaal wordt vastgelegd en verspreid zonder dat daarvoor toestemming van de rechthebbenden is verkregen en daarmee dus handelt in strijd met de zorgvuldigheid. Het hof houdt de beslissing omtrent de hiertegen gerichte grieven aan.

Het beroep van appellante op artikel 13a Aw faalt, terwijl een beroep op artikel 6:196c lid 1 BW deels en een beroep op artikel 6:196c lid 4 BW slaagt. Omtrent het overige houdt het hof iedere verdere beslissing aan.

Gerelateerde uitspraken

Voorgaande / vervolguitspraken


Terug