Om uw bezoek aan onze website te vergemakkelijken en informatie te kunnen verzamelen die ons helpt om de website nog beter op uw wensen af te stemmen maken wij gebruik van cookies. Hiervoor hebben wij uw toestemming nodig.

Zoek een uitspraak

[X] – Facebook Ireland Limited

Procedure:
prejudiciele procedure
Instantie:
Hof van Justitie
Datum uitspraak:
03-10-2019
Rolnummer:
C-18/18
LJN/ECLI:
-
Domeinnaam:
-
Eiser(es):
[X]
Verweerder:
Facebook Ireland Limited
Resultaat procedure:
Verklaring voor recht
Uitspraakcategorieën:
Notice-and-Take-Down
Dossiers:
Persoonsnaam
Domjur-nummer:
2019-1367
Publicatiedatum:
30-04-2020
Kern:

Artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31 staat de nationale rechter niet in de weg om van een hostingplatform te eisen dat inhoud wordt verwijderd die identiek is aan inhoud die eerder illegaal was verklaard, alsmede inhoudelijk overeenstemmende informatie. Tevens staat de richtlijn er niet aan in de weg dat die rechterlijke bevelen wereldwijd gevolgen sorteren.

Samenvatting

Eiser is [X]. Eiser is een natuurlijk persoon die het geding startte omdat op de pagina van een gebruiker die gehost werd op de website van het sociaal netwerk Facebook, een bericht is gepubliceerd dat verklaringen bevat die de eer van [X] aantastte.

Gedaagde is Facebook Ireland Limited. Gedaagde is een groot sociale media platform.

Dit arrest betreft een verzoek tot prejudiciële beslissing - ingediend bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het hof) - aangaande de vraag of artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31(hierna: de richtlijn), richtlijn inzake elektronische handel de nationale rechter belette om van een hostingplatform te eisen dat inhoud wordt verwijderd die identiek is aan inhoud die eerder illegaal was verklaard, alsmede identieke informatie en zo ja, of dit moet worden uitgebreid zodat het bevel door de rechterlijke instantie wereldwijd effect heeft.

Het hof wijst er in deze zaak op dat vaststaat dat Facebook Ireland hostdiensten verricht in de zin van artikel 14 van de richtlijn. Artikel 14, lid 1, van de richtlijn heeft tot doel de hostingprovider van zijn aansprakelijkheid te bevrijden wanneer hij voldoet aan een van de twee in die bepaling genoemde voorwaarden. Te weten, dat hij geen kennis heeft van de onwettige activiteit of informatie, dan wel dat hij, zodra hij daarvan kennis heeft, prompt handelt om de informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Echter, de bevrijding van aansprakelijkheid doet geen afbreuk aan de mogelijkheid voor nationale rechterlijke instanties of autoriteiten om van de hostingprovider in kwestie te eisen dat hij een inbreuk beëindigt of voorkomt, onder meer door de onwettige informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Hieruit volgt dat, tegen een hostingprovider een op grond van het nationale recht van een lidstaat gegeven rechterlijk bevel kan worden uitgevaardigd, zelfs indien hij voldoet aan een van de in artikel 14, lid 1, van de richtlijn geformuleerde alternatieve voorwaarden, en dus zelfs indien hij niet aansprakelijk wordt geacht. In casu had de Gedaagde kennis van de onwettige informatie in kwestie. Vervolgens heeft deze onderneming niet prompt gehandeld om deze informatie te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken, zoals artikel 14, lid 1, van de richtlijn voorschrijft.

Maar de verwijzende instantie wilde weten of artikel 15, lid 1, van de richtlijn eraan in de weg staat dat een rechterlijke instantie van een lidstaat een hostingprovider, zoals in dit geval Gedaagde, kan gelasten om de door hem opgeslagen informatie die inhoudelijk identiek is aan informatie die eerder onwettig is verklaard, te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken. Het hof overwoog in dit verband dat artikel 15, lid 1 er weliswaar aan in de weg staat dat de lidstaten hostingproviders een algemene verplichting opleggen om toe te zien op de informatie die zij doorgeven of opslaan, dan wel om actief te zoeken naar feiten of omstandigheden die op onwettige activiteiten duiden, maar dat dit verbod niet geldt voor toezichtverplichtingen in speciale gevallen, zoals blijkt uit overweging 47 van de richtlijn. Het hof oordeelt in dit kader dat een dergelijk speciaal geval zijn oorsprong kan vinden in specifieke informatie die door de betrokken hostingprovider is opgeslagen op verzoek van een bepaalde gebruiker van zijn sociaal netwerk en waarvan de inhoud is onderzocht en beoordeeld door een bevoegde rechterlijke instantie van de lidstaat, die deze informatie na afloop van haar beoordeling onwettig heeft verklaard. Zoals het geval was in deze zaak.

Het hof oordeelde dat de richtlijn en in het bijzonder artikel 15, lid 1, aldus moet worden uitgelegd dat zij er niet aan in de weg staat dat een rechterlijke instantie van een lidstaat: ‘een hostingprovider gelast om de door hem opgeslagen informatie die inhoudelijk identiek is aan informatie die eerder onwettig is verklaard, te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken, ongeacht wie om opslag van die informatie heeft verzocht; een hostingprovider gelast om de door hem opgeslagen informatie die inhoudelijk overeenstemt met informatie die eerder onwettig is verklaard, te verwijderen of de toegang daartoe onmogelijk te maken, op voorwaarde dat het toezicht op en het onderzoek van de informatie waarop een dergelijk bevel betrekking heeft, beperkt is tot informatie waarmee een boodschap wordt overgebracht waarvan de inhoud in wezen ongewijzigd blijft ten opzichte van de onwettig verklaarde inhoud, en die de specifiek in dat bevel genoemde gegevens bevat, en dat de verschillen tussen de formulering van die overeenstemmende inhoud en de formulering van de eerder onwettig verklaarde inhoud niet van dien aard zijn dat de betrokken hostingprovider verplicht is die inhoud autonoom te beoordelen’, en
tevens dat de richtlijn er niet aan in de weg staat dat die rechterlijke bevelen wereldwijd gevolgen sorteren.


Terug